Terug naar Florence

Terug naar Florence

*December 1913, Florence  – Vincenzo Perugia ontmoet Alfredo Geri en Giovanni Puggi in zijn hotelkamer.

‘Ze is het! Wat is ze mooi… Hoe bent u aan haar gekomen?’

‘Ja, ze is het helemaal! Mijn excuses dat ik haar tussen mijn ondergoed heb verstopt. Ik heb er met gevaar voor eigen leven voor gezorgd dat deze dame nu weer op eigen bodem is. Ze is zo onwaarschijnlijk mooi.’

‘Signor, ik kan het bijna niet geloven. Wat wilt u voor haar hebben?’

‘Ik ben een eenvoudig man, als ik 500.000 lire van u krijg, ben ik tevreden.’

‘Aha. Maar u begrijpt dat we eerst onderzoek moeten doen, om te controleren of ze het echt helemaal is. Mag ik haar meenemen voor … laat ik zeggen, twee dagen?’

‘Dat is goed. Ik vertrouw u. Zullen we afspreken dat we elkaar hierover precies twee dagen weer ontmoeten? En dan hoop ik dat we zaken kunnen doen.’

‘Naturalmente! U hoort nog van ons!’

 

*December 1923, Parijs – Vincenzo ontmoet een oude vriend

“Als rechtgeaarde Italiaan heb ik besloten haar weer te bevrijden uit Franse handen. Iedereen weet immers dat Napoleon haar gestolen had. Onze Gioconda! Als patriot kon ik niet anders handelen toen ik ontdekte hoe weinig bewaking er in het museum was. Het was een fluitje van een cent. Ik verstopte me op zondag in de kast waar ik tijdens onze klus de ladders moest opbergen. Die nacht heb ik haar van de muur genomen. Het leek wel of haar glimlach breder werd toen ik haar in handen had. Die arrogante Fransen ook, ze denken dat ze heel wat zijn, maar ondertussen hadden ze niet door dat ik maandagochtend gewoon de poort uitwandelde met de Mona Lisa onder mijn jas! Ha! Ze zouden lelijk opkijken als hun schat weer zou opduiken in Italië! Teruggebracht door een Italiaanse immigrant. Dat zou ze leren om ons die macaronite noemen.

Thuis heb ik haar verstopt terwijl ik een plan bedacht om haar Italië in te smokkelen. Dat heeft alles bij elkaar toch nog twee jaar geduurd, omdat ik geen geld had om te reizen. Ondertussen stonden de kranten vol van de ontvoering en waren er nog nooit zoveel bezoekers in het Louvre geweest. Die kwamen dus kijken naar een lege plek aan de muur! Rare jongens, die Fransen. Op een gegeven moment werd Picasso zelfs verdacht van de ontvoering. Dat vond ik prima, want dat was zo’n rare snuiter met zijn bizarre schilderijen.

In november 1913 heb ik Alfredo Geri opgezocht. In de krant stond dat hij een belangrijke kunsthandelaar in Florence was en bevriend met de directeur van het Uffizi, dus dat was de aangewezen man om te begrijpen wat mijn motieven waren. Om het geld was het mij niet te doen – dat weet je – maar hij was zo onder de indruk van mijn vaderlandsliefde, dat hij me toch meteen een miljoen lire aanbood. Een miljoen! Die jongens hebben natuurlijk geld zat, maar toch heb ik het bod afgeslagen. Had je zijn gezicht moeten zien! Ik heb hem gezegd: “Alles wat ik wil is dat ze in het Uffizi komt te hangen.”

En toen heb ik de fout gemaakt om ze aan te bieden het schilderij mee te nemen voor onderzoek. Ja, wat wil je, een museumdirecteur en een deftige kunsthandelaar moet je toch kunnen vertrouwen? Ze liepen met mijn schat in een grote koffer het hotel uit en nog diezelfde dag werd ik gearresteerd! Stank voor dank. Dat heb ik onze regering nooit vergeven. Gelukkig geloofde de rechter me dat ik het alleen voor de kunst deed en werd de straf verlaagd tot zeven maanden. En geloof het of niet: terwijl ik de gevangenis zat, maakte de Mona Lisa een tour langs Milaan en Rome, waar duizenden Italianen op afgekomen zijn. Daar was ik toch wel trots op. Na de gevangenis ben ik, zodra het kon, teruggekeerd naar Frankrijk. Ik wilde nooit meer in mijn geboorteland wonen omdat ze me belazerd hadden. Trouwens, de Mona Lisa hing vanaf 1914 weer in het Louvre, maar toen veel beter bewaakt. Dat hadden ze toch mooi aan mij te danken!”

 

*December 1913, Florence – wat hieraan voorafging

De magere man streek nerveus over zijn zwarte snor terwijl hij bij de vitrine met antieke iconen stond te wachten, zijn vale jas nog glimmend van de motregen.

Alfredo Geri liet hem voorgaan in zijn kantoor. ‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg hij, beleefd als altijd.

‘Ik ben Vincenzo Leonard, ik kom u een aanbod doen’.

Geri keek hem afwachtend aan. De goede man dacht toch niet dat dit een soort lommerd was?

‘Ja?’

‘Ik ben in het bezit van de Mona Lisa. U kunt haar kopen als u wilt.’

‘De… Mona Lisa? U bedoelt het werk van Leonardo da Vinci?’ Geri begon te lachen, maar iets in de strakke blik van de jongeman deed zijn lach stokken. Hij keek zijn bezoeker met open mond aan.

‘De prijs is 500.000 lire. Maar ik heb een voorwaarde.’ In het hotel had Vincenzo geoefend op de volgende zin, hier hing alles van af als hij deze Geri goed had ingeschat. Hij vervolgde: ‘De voorwaarde is dat het schilderij in Florence of Rome komt te hangen en nooit meer terugkeert naar Frankrijk. Ik heb de Mona Lisa teruggebracht naar haar geboorteland en ik zie het geld als een beloning hiervoor.’ De kunsthandelaar bleef hem aankijken zonder iets te zeggen. Was dit een onderhandelingstactiek? Vincenzo besloot zijn mond dicht te houden.

Alfredo Geri dacht ondertussen koortsachtig na. Natuurlijk wist hij dat de Mona Lisa twee jaar geleden gestolen was uit het Louvre en dat er sindsdien geen spoor gevonden was naar het beroemde kunstwerk. Maar hoe kon deze man hier iets mee te maken hebben? En hoe kwam hij hier terecht? Het moest wel een valstrik zijn. Of om een armzalige vervalsing gaan. En wat was dat voor onzin dat het schilderij niet in Frankrijk mocht zijn?

‘U begrijpt dat dit mij erg overvalt. Waar is het schilderij nu volgens u?’

‘In mijn hotelkamer. Ik logeer in het Tripoli.’

‘Hier in Florence? Dat is ongekend! En u zei 500.000 lire? U weet toch wel over welk werk we het hebben? Ik ben bang dat ik u niet serieus kan nemen. Het spijt me. Ik moet u verzoeken weer te gaan, ik heb het druk.’ Hij ging de man voor naar de uitgang en gaf hem een hand.

‘Hotel Tripoli, kamer 20,’ zei de man als afscheid.

‘Ja ja, goedemiddag.’

‘Giovanni, luister. Ik vind het ook erg ongeloofwaardig. Maar toch heeft het me niet losgelaten. Laten we hem gewoon samen bezoeken, wat kan ons gebeuren? Jij ziet meteen of het een vervalsing is. En dan nemen we er een borrel op.’

‘Goed, Alfredo. Jij ook altijd met je bijzondere klanten. Ik kom morgenmiddag naar je toe en dan bezoeken we het hotel.’

‘Bedankt, kerel. Tot morgen.’ Alfredo legde de telefoon neer en keek peinzend voor zich uit. Iets aan die zogenaamde signor Leonard intrigeerde hem. Misschien had de man informatie over de Mona Lisa? Hij bewonderde Da Vinci al sinds zijn studietijd en was tweemaal naar Milaan afgereisd om Het Laatste Avondmaalte zien. Wat een stunt zou het zijn als hij een spoor vond naar la Gioconda! Hij stak tevreden een sigaar op.