Pluis

We hadden elk ons eigen konijn. Mijn broers hadden een Vlaamse reus, mijn zus een hangoortje en ik, ik had Pluis. Pluis was wit met zwarte vlekjes en zwarte rondjes om zijn ogen. Net een piraat. Boven op zijn rug zaten zwarte stippen in een rechte lijn, als een spoor in de sneeuw.

Die herfst was Pluis ziek. Hij nieste, zat lusteloos in zijn poephoekje en lustte zelfs geen paardensla. Zijn ogen zaten dichtgeplakt. Het leek op het aangekoekte randje dat altijd rond de opening van de lijmtube zat.

De prognoses waren somber. Het was een gevreesd konijnenvirus, Pluis moest in quarantaine. Ik versjouwde zijn hok naar de andere wand van het schuurtje. Gaf hem melk, maakte zijn ogen schoon met Clearasil op watten. Dat had ik mijn zus zien doen met haar puistjes.

Deze maatregelen waren niet voldoende. De vacht van Pluis begon bobbels te vertonen en de zwarte vlekken rond zijn ogen verdwenen achter natte uitstulpingen. Mijn broers eisten dat hij weg moest, anders werden hun konijnen ook ziek.

Mijn vader stelde voor hem te slachten. Diezelfde avond liet ik Pluis vrij. Hij huppelde lusteloos het veld achter ons schuurtje in en verdween tussen de spruitenplanten van de buurman. Die nacht droomde ik van een konijnenhemel waar Pluis groter was dan alle Vlaamse reuzen bij elkaar.

De volgende dagen zag ik hem niet meer. Hopelijk had hij een holletje gemaakt bij de boerderij aan de overkant. Misschien was hij verdwaald. Hoe had het arme dier ori├źntatievermogen kunnen opbouwen? Hij kende alleen ons bleekveld en het schuurtje.

Het werd een koude winter. De spruitenplanten droegen een hoedje van sneeuw. Ik had me toegelegd op mijn moeders duif die blij koerde als ik met zijn voer de bijkeuken binnenkwam. Pluis bestond alleen nog in mijn fotoalbum.

Tot die eerste dag van maart. Ik stond voor het keukenraam en zag Pluis naar ons huis kijken, zittend op zijn achterpoten. Zijn ogen glansden en hij had een korte, maar gladde vacht. Zijn oren vormden het V-teken. Hij had de natuur overwonnen.

Er bestond gerechtigheid.