De populariteit van canons

Gepubliceerd in Studio 2000, TEFAF-nummer 2012

 

Al enige jaren heerst er een ware canonhype in ons land. De populariteit van canonieke lijstjes, vooral in de culturele sector, kan niemand ontgaan zijn. Ook in de beeldende kunst waart een mild canonvirus rond. Rafaël, Rembrandt of Rodin: natuurlijk kent u ook uw klassiekers. Maar bent u op de hoogte van de canon van Pop Art kunstenaars of van de Canon van de Moderne Kunst in 50 werken? De vraag is of al deze lijsten vooral over populariteit gaan of dat kwaliteit toch een hoofdrol speelt, zoals het van oudsher gebruikte begrip canon (in enkelvoud!) beoogt? Het verschijnsel zegt in elk geval veel over de veranderingen in het culturele landschap van onze samenleving. Als de canon het product van een debat is (citaat van cultuurfilosoof Maarten Doorman) wordt er heel wat gedebatteerd in dit land.

Wat betekent het woord canon ook alweer precies? De canon is afgeleid van het Griekse woord kanoonvoor maatstaf of richtsnoer. Ooit stond het letterlijk voor ‘onder Goddelijk gezag’ ten aanzien van de Bijbel. De betekenis evolueerde tot referentiekader: dat wat iedereen zou moeten weten. Ook in vroegere tijden waren er natuurlijk canondiscussies. Rond 1800 was de canon van de Franse Academie, waarin de klassieken centraal stonden, nog steeds gemeengoed. Totdat het boek van de Fransman Antoine-Nicolas d’Argenville een nieuwe canonieke lijst introduceerde, die populair werd. Schilders die hij vergat op te nemen, zoals Jan Vermeer, bestonden een eeuw lang nauwelijks. En Landschapschilder Joseph Turner (1775-1851) werd in de twintigste eeuw in de canon opgenomen omdat hij vernieuwend was en beter bij de tijd paste dan de wat jongere Frederic Leighton, die in de negentiende eeuw zo gewaardeerd werd om zijn academische methoden, na de nodige discussie eruit verdween. De term canon stond tot enkele decennia geleden vooral voor literaire werken en beeldende kunst die elk welopgevoed jongmens diende te kennen. Die wat deftige canon heeft anno 2012 gezelschap gekregen van onder andere de canon van de popmuziek, van de Nederlandse film of – om een regionaal voorbeeld te noemen – van de Limburgse geschiedenis. Er heerst blijkbaar een grote behoefte aan standaardlijsten. We kunnen meestemmen voor De Nederlander van de Eeuw of Het lelijkste gebouw van Nederland. Soms is er een goede aanleiding – zoals het einde van het kalenderjaar – als mooi moment om te evalueren, al buitelen de top-20 of top-50 lijstjes tegenwoordig over elkaar heen. Maar lang niet elke hedendaagse canon lijkt een speciale reden nodig te hebben als bestaansrecht. Het meest opvallende is nog wel dat de lijstjes – die eigenlijk al sinds jaar en dag met plezier opgesteld werden in de culturele sector – nu vaak zonder schroom ‘canon’ heten. Een canon ontstaat immers op basis van inhoudelijke criteria, terwijl een top-50 om populariteit draait. Elke bloemlezing en elk overzicht wordt de laatste tijd tot canon verheven. Hoe is deze verschuiving van betekenis, eigenlijk een woordinflatie, ontstaan?

Het begon allemaal met de commissie Van Oostrom die in 2006-2007 ‘De canon van Nederland’ opstelde in opdracht van de overheid. De aanleiding hiervoor was de onvrede over de kennis van geschiedenis bij jonge Nederlanders. Frits van Oostrom en zijn commissie wilden zich verre houden van een canon als vehikel voor nationale identiteit of voor politieke keuzes. Desondanks barstte na bekendmaking van de canon de discussie los in Nederland. Het begon met negatieve reacties op de gekozen vensters, waarna er alternatieve canons ontstonden. Een voorbeeld is de bètacanon door bètawetenschappers die zich tekortgedaan voelden. Van populist tot cultuurpessimist; iedereen had opeens een mening over de Nederlandse geschiedenis. En daar lag de kracht van deze canon: het werd een startpunt tot discussie. Lange tijd vond men (en vinden sommigen nog) dat de canon een elitair verschijnsel is, bedacht en bedoeld voor goed opgeleide en rijke mensen die de tijd hadden om zich met de hogere kunsten bezig te houden. Omdat de canon een dynamisch begrip is dat meebeweegt met de maatschappij veranderde de rol van de canon de laatste decennia snel. In de jaren tachtig vonden veel mensen een canon beperkend en saai. We maakten zelf wel uit welk schilderij we het mooiste vonden! Uit die periode stamt ook de kritiek van de bekende socioloog Pierre Bourdieu die betoogde dat de canon vooral een handig hulpmiddel voor de elite was om zich te onderscheiden. De afgelopen vijf jaar zijn we in Nederland hier geleidelijk heel anders over gaan denken. Hans den Hartog Jager schreef in 2008 een boek waarin hij een canon van tachtig bekende Nederlandse schilderijen, waaronder zes Rembrandts, op een rijtje zette. De titel was Dit is Nederland, misschien inspelend op de identiteitscrisis waar we toen in leken te zitten. ‘Nederland’ verwijst hier vooral naar het herkomstland, want Mondriaan en Van Gogh schilderden hun werken bijvoorbeeld in New York en Arles. Het toegankelijke boek met compacte verhaaltjes en prikkelende anekdotes werd een bestseller.

Uit dit voorbeeld blijkt één van de onderliggende oorzaken van de canonhype: het grote publiek heeft behoefte aan informatie en duiding. Kunst wordt ontdekt door een steeds breder publiek en is geen ‘elitaire hobby’ meer. Een mooi voorbeeld betreft de kunstveilingen die steeds minder voorbehouden zijn aan een selecte groep en voor iedereen op Internet te bezoeken zijn. Maar er is meer aan de hand. Het criterium kwaliteit lijkt bij de huidige canonhype ingewisseld te worden voor het criterium populariteit. De klassieke canon bepaalt op basis van kwaliteit of een werk tot de standaard gerekend kan worden. Deze beoordeling van kwaliteit is natuurlijk erg afhankelijk van de context, dat weet elke kunstliefhebber of –verzamelaar. Rembrandts De Nachtwachtkreeg pas laat in de negentiende eeuw de verering die het werk de huidige prominente plek in de canon van de schilderkunst opleverde. Na de dood van Rembrandt verdween de populariteit van dit werk snel en in de achttiende eeuw sneed men er nog rustig een brede strook van af omdat het schilderij niet op een bepaalde muur paste. In het begin van de twintigste eeuw rees zijn ster weer snel, mede onder invloed van politici die De Nachtwacht een mooi symbool vonden voor de opkomende Nederlandse natie. Dit soort politieke invloeden zijn natuurlijk van alle tijden. Niet alleen kunsthistorici en kenners, maar ook de politiek en de burgers bepalen de kunstcanon. Niet alleen de beschouwers maar ook de consumenten, zou je kunnen zeggen. En de ‘producenten’? De kunstenaars van de moderne tijd zijn zich ervan bewust dat ze kunstgeschiedenis kunnen maken. Vorig jaar verscheen het boek Defining Contemporary Artwaarin acht bekende internationale curatoren de beste kunstwerken van de afgelopen 25 jaar kozen. Inderdaad, zij kozen weer een canon: de internationale canon van de hedendaagse kunst. De grootste gemene deler in de acht lijstjes was het avantgardistische karakter. Welk werk de maatschappij het duidelijkst wist te confronteren kreeg de meeste waardering. Deze canon is daarmee vooral een statement van deze curatoren over de vernieuwende boodschap van de werken. Natuurlijk is de inhoud – naast de esthetische waarde en het technische vakmanschap – ook een criterium voor kwaliteit. En juist bij dit criterium is de invloed van de samenleving groot. De canon is geen statisch begrip en vanzelfsprekend afhankelijk van de ontwikkelingen in de maatschappij. Het kan goed zijn dat men De Nachtwachtover vijftig jaar een slecht schilderij vindt die niet in de canon thuishoort. Of dat de huidige interesse in schilders van rond 1920 leidt tot een vooraanstaande plek in de canon voor Kees van Dongen.

De huidige canondiscussie roept echter vooral vragen op over de verhouding tussen populariteit en kwaliteit. Het gaat meer om de smaak van het publiek dan om de kwaliteit die deskundigen herkennen. Waarom heeft het publiek zo’n grote vinger in de canonpap gekregen? We noemden al de lagere drempel van kunst door de emancipatie die dankzij goed onderwijs en toegenomen welvaart mogelijk werd. Een weinig hiërarchische en welvarende maatschappij brengt ook meer diversiteit voort, mede dankzij immigranten. Dit draagt ook bij aan een bredere consumptie van kunst en cultuur. De drempel verdween ook door de komst van de nieuwe media. Elk bekend kunstwerk is nu te bekijken op de computer, elke expositie te vinden in de digitale agenda. En dit houdt natuurlijk niet op bij de landsgrenzen. Samengevat bestaat het culturele publiek nu dus uit een steeds bredere volkslaag die steeds beter geïnformeerd is. Maar deze toegang tot digitale informatie heeft ook een nadeel: het is eenvoudigweg te veel. Hoe moet de geïnteresseerde leek hieruit kiezen? Daarom heeft het publiek behoefte aan ankerpunten in deze zee van snelle informatie. Een kort overzicht van canonieke werken zoals het boek Dit is Nederlandof een lijstje van de populairste kunstenaars is dan heel handig of verhelderend. Of een weblog van een liefhebber, zoals Jeroen de Baaij met zijn Canon van de Moderne Kunst in 50 werken(http://kunstblik.wordpress.com).

Een andere ontwikkeling is dat de Nederlandse overheid steeds meer aandacht heeft voor educatie op het gebied van kunst en cultuur. Dit is natuurlijk toe te juichen, misschien maken we nog mee dat jongeren voor hun plezier naar het Rijksmuseum gaan! Dit museum probeert hier in elk geval aan bij te dragen met het voornemen om de presentatie (na de langverwachte heropening) op te stellen volgens de vensters van de Canon van Nederland, zodat een chronologische wandeling door het verleden op educatief verantwoorde wijze mogelijk is. De Boekmanstichting, hét forum voor Nederlands kunstbeleid, riep al in 2006 ten behoeve van betere educatie de culturele instellingen op om aandacht te besteden aan canonvorming. Het resultaat was een lawine van regionale of lokale canons. Educatie is belangrijk en vergroot de betrokkenheid van het publiek bij kunst en cultuur. Een nadeel is wel dat het museum soms echt op de hurken gaat zitten om het eenvoudig uit te leggen. Dat is prima voor scholieren, maar alles beperken tot lijstjes van toppers betekent ook verarming. Zo dragen de verbreding van de doelgroep, de overvloed van (digitale) informatie en de vereenvoudiging ten behoeve van educatie elk bij aan de behoefte aan culturele lijstjes en canons. Ook de commercie speelt natuurlijk in op de canonhype. Een magazine of een expositie die een populariteitlijstje als uitgangspunt neemt trekt natuurlijk eerder kopers of bezoekers. Kunstkijkers heten tegenwoordig niet voor niets vaak kunstconsumenten. Dit alles speelt bovendien tegen een achtergrond van fundamentele veranderingen bij de jongere generaties: de ‘ontlezing’ en het gebrek aan scholing in klassieke kennis. Het is niet voor niets dat de canondiscussie startte met een roep om een nationale geschiedeniscanon. Het gebrek aan historisch besef in Nederland begon ons op te breken. Het museum dat dit goed moest maken, het Nationaal Historisch Museum, is door oneindige discussies al gesloten voor het open ging. Gelukkig is er de website www.entoen.nu van de commissie Van Oostrom om dit gat op te vullen.

Duidelijk is wel dat het begrip canon is opgerekt tot de lijst van teksten, kunstwerken en gebeurtenissen die het referentiekader van een gedeelde cultuur vormt. Maar misschien moeten we niet somberen over de canondiscussie, want we praten in Nederland nu meer dan ooit over een gedeeldecultuur. En dat is winst, of er nu populariteit of kwaliteit als label aan hangt. Een canon is dan gewoon weer de contextgebonden uitkomst van het debat dat deskundigen en liefhebbers samen hebben. Bovendien: ‘geliefd’ en ‘goed’ kunnen elkaar natuurlijk ook flink overlappen. Een schilderij is nooit intrinsiek ‘mooi’, kwaliteit blijft relatief. Veel kunstliefhebbers zullen de Mona Lisaeen voorbeeld noemen van tijdloze schoonheid. Toch kan dit oordeel in een andere tijd of op een andere plaats heel anders zijn. Voor kunststudenten is deze relativiteit van de canon een belangrijk vak. Conclusie: de nieuwe canons scheppen niet alleen verbondenheid maar ook orde. Het aanbod aan kunstwerken groeit zo hard dat ijkpunten erg nuttig zijn. Maar laten we dan in het vervolg afspreken dat een lijst op basis van gemeenschappelijke inhoudelijke criteria een canon heet en een lijst op basis van populariteit of verkoopcijfers een top zoveel!